Sluiten
Menu

Ontsnapt uit het Teutoburgerwoud

Introductie

Het is het jaar 9 na Christus. Het Romeinse Rijk, dan nog een Keizerrijk, is op het hoogtepunt van haar macht en strekt zich uit vanaf de kust van Normandië, over Frankrijk, Italië, Griekenland, de Balkan, Turkije, het Midden Oosten, Egypte, Noord Afrika en Spanje.

Keizer Augustus beslist in dit jaar dat hij de grenzen van het Rijk in noordoostelijke richting , dat wil zeggen tot aan de rivier de Elbe, wil verleggen. Daartoe moet een aantal Germaanse stammen worden onderworpen. Hij benoemt een beruchte militaire proconsul (gouverneur) en tevens legatus pro praetore in Germania, Varus, en geeft hem de vrije hand om orde op zaken te stellen in Germania Superior.

Door verraad van een "overloper" ( een hoge officier in het Romeinse leger), Arminius (1), lopen drie verplaatsende Romeinse legioenen in een val en worden vrijwel geheel afgeslacht. De slag in het Teutoburgerwoud wordt door een Britse historicus; Edward Creasy (2), gerekend tot een van de meest beslissende veldslagen in de geschiedenis van de mensheid. Werden de internationale ambities van Napoleon bij Waterloo in 1815 voorgoed gestopt en werd bij Stalingrad in 1942 het begin van de vernietiging van Nazi-Duitsland ingezet, met de overwinning van de Germanen over de Romeinen werd niet alleen een einde gemaakt aan de Romeinse expansie, het luidde tevens het einde in van de Romeinse ambities om Europa verder te "romaniseren" en legde de basis voor een integraal onderdeel van het "Duitse" nationalisme, zij het nog vele eeuwen verdeeld in verschillende autonome staten.

De Romeinen namen ruim zes jaar later weliswaar wraak door een strafexpeditie te organiseren onder leiding van Gaius Julius Caesar (Germanicus), maar de overwinning in het Teutoburgerwoud bij het huidige Kalkriese (omgeving Bramsche) smeedde de basis voor een verdere integratie van de Germaanse stammen. Wanneer de Romeinen in hun opzet waren geslaagd, had wellicht de geografische en culturele basis voor het latere Duitse nationalisme ontbroken en dan was er nimmer sprake geweest van een Charlemagne (3), een Duits keizerrijk en een Hitler.

(1) Later Hermann (de Cherusker) genoemd: een geromaniseerde Germaanse prins, afkomstig uit de stam der Cherusken.
(2) Edward Creasy: "The fifteen decisive battles of the world. From Marathon to Waterloo" 1851.
(3) Karel de Grote (747-814 na Christus)

Verloop

Het boek beschrijft de avonturen van Dovydas, een geromaniseerde Germaan, die woont in wat nu Wallonië heet, aan de oevers van de rivier de Amblève. Dovydas is de smid in de nederzetting waar hij woont en moet elk jaar de voorraad ijzererts aanvullen die hij nodig heeft om zijn beroep te kunnen uitoefenen. De dichtstbijzijnde stad, Atuatuca, het huidige Luik is de plaats waar lokale handelaren hun waren aanbieden. Om daar te geraken moet hij een reis van drie a vier dagen maken. Onderweg op een van zijn reizen maakt hij de nodige avonturen mee.

Meer ...

Dovydas maakt het zich gemakkelijk en strijkt neer op het zachte mos onder een grote eik terwijl een dicht bladerdak hem tegen de felle zon beschermt. Een stel bijen zwermt om hem heen en Dovydas kijkt met plezier naar al het schoons dat de natuur te bieden heeft. Hij rekt zich uit en staart naar de vrijwel wolkeloze hemel. Hoog in de lucht cirkelt een buizerd rond, spiedend naar een prooi voor zijn middagmaal. De open plek waar hij zit, is omgeven door dicht struikgewas. Het is windstil en hij geniet van de vreedzame rust. Het is tijd om wat te eten, hij maakt de knapzak open en haalt het brood en een kruik wijn eruit. Het brood dat moeder Ernesta de vorige dag speciaal voor hem had gebakken, is nog vers. Van de zure wijn in combinatie met het warme zonlicht, wordt hij een beetje slaperig. Hij besluit dat het tijd is om een uiltje te knappen en weer energie op te doen voor de rest van de reis, deze middag.
De tocht voert hem verder langs de rivier de Amblève.
Op zoek naar een nederzetting hoeft hij alleen maar de rivier te volgen, aangezien veel gemeenschappen zich uit praktische redenen, meestal in de nabijheid van de rivier hebben gevestigd en hij hoopt ergens op die route de nacht door te brengen.
Hij heeft nog maar nét zijn ogen dicht, wanneer hij op niet al te grote afstand achter zich plotseling een geruis in het struikgewas hoort.
Dat kan geen wind zijn, want het is windstil.
Met een ruk komt hij overeind en haalt snel zijn speer uit de lederen draagtas. Dat geluid was onnatuurlijk! Dat is wel zeker!
Dovydas heeft in zijn jeugd voldoende tijd in de vrije natuur doorgebracht om vast te kunnen stellen of een geluid door de wind of door een regenbui wordt veroorzaakt.
Dat moét dus afkomstig zijn van een dier, óf van een menselijk wezen!
Hoe dan ook, een menselijk wezen dat het goed met hem voorheeft, heeft ook niet de behoefte om hem stiekem te benaderen, en kleine dieren zoals een vos of een wezel zullen eerder hun heil in een snelle vlucht zoeken.
Dus zou het misschien een wolf of een beer kunnen zijn die in deze streek meer dan regelmatig voorkomen. Hoewel, denkt Dovydas, een wolf is niet erg waarschijnlijk, omdat die dieren doorgaans in roedelverband opereren. Het ligt dus voor de hand dat het hier om een beer moet gaan. Er is in de verste verte geen ander dier dat zich met zo veel rumoer door een bos verplaatst.
Het zweet breekt hem uit, want vluchten door in een boom te klimmen, is geen optie. Een beer kan namelijk beter in een boom van een voet of tien klimmen dan een mens. En zonder meer véél sneller!

Opnieuw hoort Dovydas geritsel! En het komt steeds dichterbij!
Hij kijkt om zich heen en stelt vast dat hij zich op een open plek in het bos beter kan verdedigen, dan onder een boom. Daar heeft hij in elk geval de ruimte om te manoeuvreren.
Snel rent hij naar een open plek en gooit onderweg de knapzak van zich af.
Die zoek ik later wel weer op, denkt hij.
En dan plotseling, ruikt hij een sterke humuslucht.
Tegelijkertijd komt met een gekraak van jewelste, een grote bruine beer uit het struikgewas tevoorschijn. Bij Wodan! Wat een monster, denkt Dovydas, terwijl de adem in zijn keel stokt.
Een paar grote vogels zweven met doffe vleugelslagen rond de open plek. Het is alsof de vogels zich voor een bloedig duel verzamelen.

Vervolgens stuit hij op een nederzetting die door struikrovers is uitgemoord en wanneer hij zijn toch wil voortzetten wordt hij aangehouden door een paar wachten die in een nederzetting wonen bij het punt waar de Amblève in de Ourthe uitmondt.

Meer ...

Het duurt niet lang voordat de omtrekken van een typische Germaanse nederzetting wordt bereikt. Zo te zien is deze alleen veel groter dan die waar Dovydas vandaan komt. Hij ziet verschillende rookpluimen boven de daken uitkomen. Bij de toegangspoort staat een groep mensen waaronder verscheidene kinderen. Die schreeuwen en joelen en zijn duidelijk opgewonden. De indruk die Dovydas krijgt is dat de kinderen niet écht van vriendelijkheid overlopen. Maar…. begrijpelijk! Op het moment dat het groepje nadert, wordt er gegild en geschreeuwd: "Hebben jullie weer zo"n schoft gevangen?" "Waar komt die kerel vandaan?" "Wat weet hij van de rooftocht op onze makkers in de naburige nederzetting van Liotaurus?" Vrouwen kakelen door elkaar, jongens rennen stoer langs het groepje, terwijl er een van een jaar of tien probeert Dovydas aan de zoom van zijn tuniek te trekken. "Stop met die onzin," brult Dolfas. "Er lopen niet alleen moordenaars in de bossen rond. Wanneer mijn gevoel mij niet bedriegt, en dat gebeurt zelden, dan is deze gast een eerbare reiziger die op weg naar Atuatuca per ongeluk in de nederzetting van Liotaurus is terechtgekomen. Zijn verhaal klinkt redelijk betrouwbaar. Bovendien heeft hij nieuws over Liotaurus."

Aangekomen in Atuatuca, koopt hij zijn ijzererts in en krijgt de gelegenheid om met een Romeins schip stroomopwaarts meet varen. Halverwege de reis wordt het schip overvallen door een bende rovende Germanen. De aanval wordt afgeslagen en Dovydas speelt bij dat gevecht een belangrijke rol. Wanneer hij bij zijn eigenstam arriveert, hoort hij dat de Romeinen op zoek naar dienstplichtige jonge mannen zijn broer Titus hebben meegenomen. Dovydas besluit om de bij de overval opgedane goodwill te verzilveren door zijn broer weer terug te halen. Hij slaagt in die opzet maar moet als tegenprestatie aan een strafexpeditie deelnemen in het oosten van Germania Superior. Tijdens de opmars raakt hij in contact met een gewonde, de broer van Arminius die bij de slag een verraderlijke rol zal spelen.

Meer ...

"En, hoe gaat het met de gewonde?"
"Opmerkelijk goed, dokter", zegt de grootste van de twee verheugd. De man ziet er buitengewoon vermoeid uit en heeft roodomrande ogen vanwege het gebrek aan slaap. "Het is gewoon een wonder! Hij is zelfs wakker en volgens mij is de koorts gedaald. Zijn adem is rustiger en zijn voorhoofd voelt niet meer aan als een gloeiende steen! Ik denk dat het tovermiddeltje van u heeft gewerkt. Misschien heeft u wat as van Asklepios (4) in dat drankje gedaan?
Je kunt gerust zeggen dat dit middel zijn leven heeft gered.
Gaat u maar naar binnen en kijkt u zelf maar!"
Dovydas lacht opgelucht over de opmerking van de man, gaat de tent binnen en ziet de patiënt, nu slechts met één deken afgedekt, op zijn zijde in het bed liggen. Hij ziet er tot Dovydas" opluchting inderdaad ontspannen uit.
"Wel dokter, ik denk dat u mij het leven heeft gered. Mijn dank is groot!"
"Niet zo voorbarig Mijn Heer. U bent alleen van de rivier de Styx (5) naar de oever teruggekeerd.
Maar u zit nog wel op de rand van het bootje. Vergeet dat niet! En wees wat terughoudend met felicitaties aan mijn adres. Uw lichaam heeft het meeste werk verricht!"
Dovydas voelt de pols van de man en vervolgens zijn voorhoofd. Dat is nog wel warm, maar niet zo oververhit als gisterenavond. Dovydas controleert de hechtingen en ziet tot zijn tevredenheid dat de randen van de wond weliswaar nog roze zijn, maar de nare donkerrode kleur die op een infectie duidt, is er niet. Flavus hoest en keer en er komt een rozige fluim slijm uit zijn mond, die door Dovydas wordt weggeveegd. Die kerel heeft machtig veel geluk gehad, denkt Dovydas. En wat heet geluk? De man is door het oog van mijn hechtnaald gekropen!
"Dokter, ik heb één van mijn mannen uitgestuurd om mijn broer te waarschuwen. Zoals u weet werkt Arminius in de staf van generaal Varus. Hij weet nog niet dat ik gewond ben geraakt en ik neem aan dat hij snel hier naar toe zal komen om te zien hoe het met me gaat. Dan kunt u met hem kennis maken en ik zal er voor zorgen dat hij u op gepaste wijze zal belonen. U hoort niet thuis in een dergelijk ondergeschikt auxilia. Ik kan er voor zorgen dat u in de staf van Varus zal worden opgenomen. Arminius heeft een grote invloed op Varus, dus ik denk dat dit wel mogelijk zal zijn. Wat vindt u er zelf van?"

(4) God van de geneeskunde.
(5) In de Griekse mythologie werd gedacht dat de Styx de scheiding was tussen het aardse heden en de onderwereld, waarbij een mens die rivier werd overgezet na zijn dood.

Dovydas trekt als optio (sergeant) mee terug naar de winkellocaties, wanneer de bevelvoerend generaal in een val trapt die hem van de geplande route doet afwijken en in een val trapt die door vijftigduizend opgestelde Germanen is opgezet. De Romeinse strijdmacht wordt vernietigd en er worden bijna 20.000 Romeinen en hun helpers genadeloos afgeslacht. Dovydas maakt een deel van de slachting mee.

Meer ...

Dovydas heeft met afgrijzen de slachting aanschouwd. Veilig verborgen in een holle boom die een opening heeft richting het strijdgewoel, maar hem van achteren volledig dekking geeft, ziet Dovydas dat meer dan 400 jongemannen op een beestachtige manier worden vermoord. Wanneer soldaten in een man-tegen-mangevecht het onderspit delven is nog tot daar aan toe. Dat lijkt tenminste nog op een schijn van eerlijkheid. Doch wat hier voor Dovydas" ogen gebeurt, is walgelijk. Hij ziet gewonde legionairs liggen die, of ze nu door pijlen die hen hebben getroffen, of door steek- of zwaardhouwen zijn geveld, op de grond liggen, waarbij ze zonder enige vorm van mededogen door lansiers aan de grond worden gespietst. En zelfs de doodsteek is voor sommige wraakzuchtige Germanen niet voldoende. Een gewonde Romeinse onderofficier wordt door drie Germanen bedreigd terwijl ze hem met lansen steekwonden toebrengen, zonder hem te doden. Zij juichen wanneer het slachtoffer om genade brult. Dovydas kan zelfs horen wat de Germanen de man toeschreeuwen: "Nou krijg je eindelijk je vet, vuile rotschoft! Jarenlang heb je ons getergd! Jarenlang heb je onze vrouwen meegenomen, verkracht en vermoord. En nu lig je weerloos op je rug en dan smeek je om genade? In de hel kun je om genade smeken! Hier op aarde zal je net zo lang blijven leven totdat wij van mening zijn dat jouw geschreeuw vervelend wordt. En dan maken we heel langzaam een einde aan jouw lijden." Hij ziet dat één van de drie Germanen naar het slachtoffer toeloopt, zijn hoofd dat al druipt van het bloed, met één hand van de grond tilt en de ogen van de man met zijn duim uit zijn hoofd drukt. Het gekrijs van het slachtoffer is afschuwelijk en Dovydas moet zijn best doen om niet over te geven. Dit is geen soldateneer. "Eer"? Dit drama heeft niets met "eer" te maken. Het is slechts een barbaarse en onmenselijke wraak die tegen een man wordt gericht, die misschien wel een van de meest oppassende onderofficieren is geweest en nog nimmer een van de misdaden waar de Germanen over schreeuwen, heeft begaan. Blijkbaar is de marteling voor één van de folteraars voldoende. De man neemt zijn lans en spietst die diep in het lichaam van de Romein, waarmee hij snel een einde aan zijn leven maakt. De arme drommel valt opzij en sterft. Ongetwijfeld opgelucht dat zijn lijden voorbij is. Dovydas heeft zijn buik vol van alle ellende. Het ziet er naar uit dat vooral het jonge kader zoals luitenants, vaandrigs, standaarddragers en optio"s op de gruwelijkste manier wordt omgebracht.

Met veel geluk weet hij te ontsnappen en slaagt er in om als een van de vierhonderdvijftig overlevenden heelhuids thuis te komen.

Bestellen

Klik hier om het boek "Ontsnapt uit het Teutoburgerwoud" ISBN:9789402155518 via bol.com te bestellen.

Er zijn (nog) geen recenties.