Sluiten
Menu

Waar de zon in het Noorden staat

Introductie

Ik heb zoals beloofd opnieuw een boek geschreven.
Het is opnieuw een historische roman geworden die zich afspeelt in zuidelijk Afrika op het eind van de negentiende eeuw. De reden waarom ik deze keer heb gekozen voor een scenario tegen de achtergrond voor een conflict dat later in de Boerenoorlog zal uitlopen was, dat ik mij altijd afgevraagd heb op welke manier het meest verguisde woord in de Nederlandse taal; “Apartheid”, in zuidelijk Afrika kans heeft gekregen om daar bijna vijftig jaar de politiek te beheersen.
In het boek, bestaande uit twee delen, wordt een poging gedaan om uit te leggen dat het beginsel van “gescheiden ontwikkeling” sterk beïnvloedt is door de specifieke kenmerken van Zuid Afrika, die dit land onvergelijkbaar maakt met de “normale” koloniale landen die in de tweede helft van de 19de eeuw in dit continent gevestigd werden.
In dit eerste deel worden de lotgevallen van Rudi van de Pavoordt beschreven, een jonge ambitieuze Zeeuw, die besluit om naar Transvaal te gaan. Het verhaal vertelt over zijn overtocht, zijn avontuurlijke reis door de wildernis door zuidelijk Afrika, en over het beginnen van een nieuw leven als immigrant daar.
Het boek beschrijft hoe er in die jaren door de verschillende autochtone delen van de bevolking, inclusief de blanken, over een in hun ogen rechtvaardige samenleving werd gedacht.
In het tweede deel zal worden ingegaan welke invloed de rol die de Boerenoorlog een paar jaar later op dat idee heeft gehad.
Meer informatie is te vinden op de website van Bol.com.

Inhoud

Dit boek speelt zich af in de jaren 1883 en 1884. Het vertelt het verhaal over de jonge ambitieuze jongeman uit Terneuzen; Rudi van de Pavoordt wiens dromen om ooit arts te worden bruut door het noodlot onderuit worden gehaald.

Meer ...

Het is al laat wanneer ik de Dijkstraat inloop.
Het is gemeen koud.
De wind blaast de pas gevallen sneeuw op en ik verrek letterlijk van de kou. Ik heb dan wel de kraag van mijn wollen jas omhoog geslagen en mijn pet zo veel mogelijk over mijn oren getrokken, maar ik heb geen handschoenen en ondanks dat ik mijn handen bijna tot aan mijn ellebogen in mijn zakken heb gestopt, heb ik er nauwelijks meer gevoel in, vooral met die gure wind.
De onverharde weg ligt vol bergen sneeuw, plassen water en modder en vrijwel op elke hoek van de straat ligt vuiligheid tegen de huizen opgetast.
De mensen zijn onder deze barbaarse weersomstandigheden niet bereid om te wachten op de strontkar die immers om de twee dagen de emmers met excrementen op komt halen en schone emmers komt brengen.
Dus smijten de mensen hun rotzooi gewoon op straat. En daardoor hangt er ondanks de vrieskou een permanente stank van verrotting, urine en uitwerpselen, waar je zelfs nu in de winter ongeveer tegen aan kunt leunen. Dat kan ook bijna niet anders, want de meeste mensen in onze straat raken hun eindproducten op de meest eenvoudige manier kwijt door de inhoud van hun po’s gewoon uit het raam op straat te kieperen.
Ik probeer zo snel mogelijk langs de armoedige geveltjes van de lage huizen door te lopen naar onze woning die aan het eind van de straat ligt, terwijl ik mijn best doe niet in de uitwerpselen te trappen.
Ik háát de smerigheid en de armoede van deze buurt.
Onze familie woont noodgedwongen pas een jaar in deze bende.
Vóór die tijd, toen mijn vader nog leefde, woonden wij “op stand” zoals dat heet, in een mooie vrijstaande woning in de Axelsestraat.
Maar na het ongeluk van mijn vader die tijdens zijn werk het leven verloor, moest mijn moeder naar een meer eenvoudige behuizing omzien. Ze kon de huur van de woning in de Axelsestraat niet meer opbrengen en zodoende zijn we in deze afschuwelijke bende in de Dijkstraat terechtgekomen.
Waren we twee jaar geleden nog een tevreden en redelijk welvarend gezin, na het ongeluk is ons huishouden volledig op zijn kop gezet.
Mijn vader; Rudolf van de Pavoordt werkte als voorman in de haven van Sas van Gent. Tijdens het lossen van een schip brak een hijskabel en tuimelde er een boomstam naar beneden. Vader kon zich niet snel genoeg uit de voeten maken en hij werd verpletterd onder die stam.

Datzelfde noodlot heeft weinig erbarmen met Rudi, die in een ruzie om de eer van zijn familie betrokken raakt bij een ongeval met dodelijke afloop. Hij tracht zich aan de gevolgen daarvan te onttrekken door tijdelijk naar Vlissingen uit te wijken. Daar maakt hij kennis met een vertegenwoordiger van Transvaal, een jonge republiek in Zuidelijk Afrika, die Rudi in dat nieuwe land een betrekking aanbiedt. Rudi neemt dat aanbod aan en vertrekt op een avontuurlijke reis per schip van de “Rotterdamsche Lloyd” naar Lourenço Marqués.

Meer ...

Second De Vries heeft zijn mensen nu aan bakboordzijde op plaatsen opgesteld, waar ze enige bescherming van de reling van het schip hebben of zich kunnen beveiligen achter windschotten en andere opstellingen
Twee anderen klimmen zo snel ze kunnen de trappen op om op de brugopbouw een beter plaatsje te zoeken. Ik ren met een halfvolle kist munitie naar een kaapstander, midscheeps.
Er is geen seconde te verliezen!
Er knalt een schot vanaf één van de scheepjes die nu op de Zuid Holland ingelopen zijn en ondertussen langszij zijn gekomen. En opnieuw een schot.
Ik hoor de kogel fluiten. Dat is godver dichtbij! En die gast moet mij hebben!
Ik vul zo snel ik kan magazijn, na magazijn. Ondertussen wordt er nu vanaf de Zuid Holland teruggeschoten!
Plotseling vliegt vlak voor mij een zware enterhaak het dek op, vastgeknoopt aan een touw.
De enterhaak blijft achter de reling haken. Die moét los!
Ik zie de mast van het zeilschip dat zich probeert vast te maken aan de Zuid Holland.
Het zeil klappert! Ik vlieg naar voren naar de plek waar de enterhaak aan de reling vastzit en op het moment dat ik het ding wil loswrikken, verschijnt er een bruine tronie van een piraat boven de reling. De piraat was nét van plan om over de reling aan boord te klimmen.
Ik heb geen wapen en ik heb spijt dat ik mijn gereedschapskist heb laten liggen.
Daar zitten in ieder geval een hamer en een paar vijlen in. En in geval van nood kun je daar iemand veel pijn mee doen. Maar ik heb niets. Alleen een handvol gevulde magazijnen.
Ik haal uit en raak de piraat met de magazijnen nog in mijn hand vól in zijn gezicht. Hij valt met een schreeuw terug achterover op het piratenschip.
Maar een volgende kop verschijnt in de plaats van zijn voorganger. Ik kijk wanhopig om me heen op zoek naar iets stevigers dan een handvol magazijnen. En zie een houten drevel geklemd in een houder tegen de mast. Ik spring er op af en juist op het moment dat de volgende piraat over de reling wil klimmen, ben ik bij hem.
De vent is niet groter dan één meter vijftig. Een donker, gespierd lichaam zo zwart als ebbenhout. Hij heeft een rond, glad gezicht en wrede priemende ogen.
Hij brult iets onverstaanbaars!
De kerel draagt slechts een korte lendendoek en is blootsvoets.
In zijn hand heeft hij een lang gekromd mes van wel meer dan zestig centimeter!
Maar hij staat nog niet stevig op zijn benen wanneer ik bij hem ben.
Ik haal vol uit en sla hem dwars over zijn smoel! Ik zie de resten van zijn gebit rondvliegen terwijl er een straal bloed uit zijn neus komt. De kerel valt aangeslagen op zijn knieën met zijn gezicht in zijn handen.
Plotseling hoor ik een scherpe knal en zie ik een rond gat in zijn buik verschijnen.
Achter zijn lichaam komt een straal bloed en weefsel in een fontein naar buiten.
Hij is door een kogel in zijn maag getroffen.
Ik kijk om en zie een matroos die lachend zijn duim opsteekt.
Onmiddellijk daarna zie ik de matroos opnieuw aanleggen! En opnieuw klinkt er een schot!
Ik keer me om en zie nog juist dat een tweede enthousiasteling die achter zijn maat aan boord wilde klimmen, ook weer met dezelfde snelheid van de Zuid Holland terug op zijn scheepje terugvalt.

Daar begint zijn Afrikaanse avontuur dat voorlopig eindigt wanneer hij aan het werk gaat als voorman bij een geëmigreerde Nederlander; Theo Verweij. Vanwege meningsverschillen tussen Verweij en Rudi, die voornamelijk betrekking hebben op het verschil in opvatting over de plaats en de toekomst van het zwarte deel van de bevolking, komt het tot een breuk tussen de twee.

Meer ...

‘Luister goed jochie,’raast Verweij verder. ‘Er bestaan geen vakbekwame Kaffers. En of een beslissing in mijn fabriek, die door mij genomen is, zinvol is of niet, maak ik uit.
En of een dergelijke beslissing in jouw ogen rechtvaardig is, doet helemaal niets ter zake.
Ik maak hier uit wat recht of krom is! Ik heb het volste recht om met die Kaffers te doen wat ik denk dat goed is voor mijn fabriek. Dat heeft niets met rechtvaardigheid te maken.
Rechtvaardigheid is een begrip dat alleen opgaat voor blanken. Jij bent hier als wijsneus nog maar een paar maanden en wilt de regels die binnen Europa gelden, direct hier in Transvaal gaan toepassen. Wel, jochie, die regels gelden hier niet.
Wij blanken maken hier de dienst uit en stellen de regels vast. Bepalen wat rechtvaardig is of niet! En niet die Kaffers.
Nu niet en niet in de toekomst. Wanneer het aan jou ligt, zit hier over een paar jaar een zwarte voorman op het bureau. Wel jochie, niet in mijn fabriek. Over mijn lijk. Dat zal hier nooit gebeuren.
Dit land is van ons en niet van die wilden hier, die elkaar een paar jaar geleden nog gewoon opvraten. Die verdomde chimpansees! Laten mijn stoommachine ontploffen en proberen dan nog de uitvlucht te gebruiken dat het mijn schuld zou zijn! Omdat die Kaffers gewoon harder zouden moeten werken wanneer de zaagmachine sneller zou kunnen produceren.’
In ben in toenemende mate razend aan het worden.
Wat denkt die kerel wel niet?
Hij mag dan wel een bom duiten hebben en mijn werkgever zijn, maar dat geeft hem nog geen vrijbrief om hier allerlei vuile en onterechte onzin uit te kramen.
Bovendien verwijt hij één van zijn meest betrouwbare arbeiders, dat ze het werk in de fabriek opzettelijk zouden hebben gesaboteerd! Wat een klinkklare onzin! Waarom zou Arthur het risico lopen om zijn baas tegen hem in het harnas te jagen?

Tijdens een ongeval in de meubelfabriek weet Rudi met een geslaagde “eerste hulp” het leven van één van de zwarte arbeiders te redden.
Dat bezorgt hem de naam van “Umlanga Zibbuza Inyanga”; een “blanke wonderdokter.”
Als gevolg van die vermaardheid wordt zijn hulp ingeroepen om een ernstig zieke vrouw te helpen; Agnes, de dochter van een verlamde Belgische arts die naar Transvaal is geëmigreerd. Rudi slaagt er in om het leven van de vrouw te redden en krijgt een baan aangeboden als assistent.

Meer ...

Zinhle is in tranen en bet constant het voorhoofd van het meisje, terwijl ze tegelijkertijd probeert haar wat te drinken te geven. De bediende die Bambeke binnen gedragen heeft, plaatst hem in een stoel naast het bed. Ik sla de lakens terug en zie dat ze verder geen kleding aan heeft. Ik bekijk de buik van het meisje. Haar buik is gezwollen en het vel staat strak. Ik kijk om me heen om te zien waar ik mijn handen kan wassen. De zwarte verpleegster biedt mij een schaal water aan en een paar droogdoeken.
‘Eerst laudanum (= Een mengsel van 90 procent wijn en 10 % opium, dat in die tijd naast ether één van de weinige verdovende middelen was, die artsen ter beschikking hadden.) ,’ beveelt Bambeke.
‘Daar in die blauwe fles, vooraan in de medicijnkast!
Twee eetlepels moeten voldoende zijn.
Leg een scalpel klaar en vier wondhaken. Twee scherpe en twee stompe!
Dan leg je dat rubber slangetje daar in die schaal met alcohol en ontsmet het op die manier! Alle instrumenten zijn deze morgen al meer dan een half uur uitgekookt, maar dit mogelijk ten overvloede.
Dat ding zullen we strakjes vermoedelijk nodig hebben.
Neem een andere scalpel en maak die roodgloeiend.
Vervolgens een schaal heet water en een stapel verband.’
Zijn opdrachten zijn kort en bondig en ik merk dat Bambeke buitengewoon goed weet wat hij zou moeten doen wanneer hij zelf in staat was om de ingreep uit te voeren.
Ik voel de pols van het meisje en bemerk dat haar hart razendsnel klopt. Ik tel ongeveer honderdzeventig slagen per minuut! Er is gewoon geen tijd te verliezen! Wanneer ik een uur later zou zijn gekomen, ben ik bang dat het kind de ontsteking niet zou hebben overleefd. Ik voel de onderbuik van het meisje en bekijk de plaats waar ik de incisie zal moeten maken. Het zweet breekt me uit. Ik heb werkelijk geen idee!
‘Daar aan de linkeronderzijde moet je zijn. Iets naast de grote huidplooi! Vooruit, man, sta daar niet te sukkelen! En jij, maak de plaats waar we gaan snijden met alcohol schoon,’ beveelt Bambeke de verpleegster.
‘Vooruit, neem de scalpel en maak de incisie van boven naar beneden, ongeveer twintig centimeter lang. Neen, niet daar, iets meer naar rechts, tussen de navel en de bekkenkam!’ draagt hij mij op.
“En niet te diep. Alleen de huid moet open.
En jij, zorg dat het bloed gestelpt wordt!’
Dat is voor de verpleegster.
‘De dokter moet kunnen zien wat hij moet doen en dat kan hij alleen maar wanneer er zo min mogelijk bloed uit de wond komt,’ snauwt hij.
“De dokter!” denk ik. Was het maar waar! Was hier maar een échte dokter die in staat was om het leven van dit kind te redden! Ik voel me absoluut een hopeloze amateur. En dat ben ik ook. Maar er is geen weg terug! Ik voel me belabberd! En dat is nog zachtjes uitgedrukt.
Het meisje kreunt van de pijn maar wordt gelukkig dankzij de laudanum en de armen van de verpleegster stevig op haar plaats gehouden.
‘Vooruit man. De buikwand. En voorzichtig! Niet te diep! En jij, houdt de wond open! Gebruik die twee wondhaken zodat de dokter kan zien waar hij verder moet gaan. Nu het buikvlies. Voorzichtig! En stelp die bloeding,’ schreeuwt hij de arme verpleegster toe, die slechts twee handen heeft en vier dingen tegelijkertijd moet doen.
Nadat ik de buikwand ingesneden heb, zie ik gelukkig direct de ontstoken appendix. Het orgaan is dik en opgezet en donkerrood. Ik denk dat we juist op tijd zijn geweest, want wanneer de ontsteking opengesprongen zou zijn, zou het vuil in de buikholte terechtkomen en er bestaat geen enkele mogelijkheid om dat er helemaal uit te krijgen. Ook niet met een drain.
‘Afbinden, kerel! Daar!
Neem die paardenhaar en maak een lus!
Dan rond dat stuk ontstoken weefsel.
Sta daar niet te suffen, man!’
Ik leg achter het ontstoken stuk darm een draad aan en knoop het stevig dicht.
Het zweet loopt in mijn ogen en ik kan nauwelijks zien wat ik aan het doen ben.
‘Zinhle! Veeg dat zweet van zijn gezicht! Snel! De dokter kan bijna niets zien,’ schreeuwt
Bambeke tegen de verpleegster. De vrouw reageert niet, maar gaat vastberaden aan de slag. Het ziet er naar uit dat ze wel vaker op deze manier is toegesproken.
‘Vooruit, snij dat stuk ellende uit haar buik. En water! Veel water! Neem dat overtollige bloed op! Zo veel mogelijk!’ snauwt hij. De verpleegster spoelt met een slangetje, verbonden aan een fles die in een soort standaard hangt, zo goed mogelijk het bloed uit de buikholte. Ik dep met kleine stukjes verband het water en het bloed uit de wond en de buikholte.

Rudi leeft en werkt in een periode waarbij de jonge Boerenrepublieken zich moeten zien staande te houden tegen Britse pogingen het gebied in bezit te krijgen nadat gebleken is dat er grote voorraden goud en diamanten op in Transvaal en Oranje Vrijstaat waren gevonden.
De Britse hebzucht gaat later zelfs zo ver dat er bewust wordt aangestuurd op een oorlog warbij het rijkste en machtigste land ter wereld bewust een oorlog met de twee minirepubliekjes in Afrika uitlokt.
In het vervolg op dit boek zal de geschiedenis van Rudi tijdens de “Tweede Vrijheidsoorlog” worden verteld.
Uiteindelijk zal een poging worden gedaan om uit te leggen op welke manier het verliezen van die “Boerenoorlog” ten leste de deur heeft opengezet voor het bedenken en invoeren van het systeem met het meest verguisde woord in de Nederlandse taal; “Apartheid”.
Overigens geen geïsoleerd systeem dat zogenaamd alleen in Afrika werd bedacht en toegepast.
Landen als De Verenigde Staten van Amerika tot ver in de jaren vijftig van de vorige eeuw, Groot Brittannië, Rusland en in een latere periode haar erflater, de Sovjet Unie, kenden allen een vergelijkbaar systeem van “gescheiden ontwikkeling” of “segregatie”



Bestellen

Dit boek kan worden besteld via bol.com.
Klik hier om het boek via Bol.com te bestellen.